De rivierbodem daalt. Wat kan er tegen gedaan worden?

Daling

Figuur: Principe van een kralensnoer van meestromende nevengeulen tussen Tiel en Nijmegen

De bodem van het zomerbed van de Rijntakken daalt, in het bijzonder de vrij afstromende IJssel en de Waal. Het is een geleidelijk proces, begonnen na de aanleg van de kribben in 1870, waarbij de rivier zich ieder jaar ca 2 cm inslijt. Inmiddels ligt de bodem ca. 2 meter lager en ontstaan er steeds meer problemen voor de functies op en rondom het water. De scheepvaart loopt vast op obstakels op de rivierbodem, uiterwaarden verdrogen en waterinname is niet meer mogelijk.

In 1900 verdeelde het water zich gemiddeld nog ca 20 dagen per jaar over het zomer- en winterbed, nu nog maar 5 dagen per jaar. Door de bodemdaling blijft het rivierwater dus bij stijgende afvoeren veel langer binnen het zomerbed dan vroeger. Dit zorgt voor hogere stroomsnelheden en meer erosie van zand dan er van bovenstrooms wordt aangevoerd, op deze manier is het een zichzelf versterkend proces.

Concept
De natuurorganisaties Wereld Natuur Fonds, ARK Natuurontwikkeling en Bureau Stroming hebben een bijzondere oplossing voorgesteld, waardoor niet alleen de bodemdaling stopt, maar ook de natuur in de uiterwaarden profiteert.

Het idee van de natuurorganisaties is er op gebaseerd om de energie van het stromende water weer beter te verdelen over zomer- én winterbed. Ze willen het rivierwater, bij stijgende waterstand, eerder de uiterwaarden laten instromen. De verwachting is dat het zandtransport vertraagt en de erosie afneemt of zelfs stopt. Tegelijk nemen de dynamiek en natuurwaarden in het winterbed toe.

Meer water het winterbed in laten stromen kan op twee verschillende manieren, die ze beide in willen zetten:

  • zomerkades verlagen of verwijderen. Zomerkades zijn ca. 2 m hoog, aangelegd ver voor de fase van bodemdaling en nu relatief zo hoog dat ze ook de meeste winterhoogwaters tegen houden. Zonder zomerkades stromen de uiterwaarden weer ongeveer 15 tot 20 dagen per jaar mee, vergelijkbaar met 100 jaar geleden.
  • stromende nevengeulen aanleggen die zo’n 5 tot 10% van het rivierwater afvoeren. Deze hoeveelheid water is vergelijkbaar met wat nu achter de langsdammen bij Tiel stroomt en is dus beschikbaar. Deze nevengeulen functioneren bij alle afvoeren en samen met de verlaagde kades zorgen zij voor een permanente vermindering van de stroomkracht in het zomerbed.

Om bij lagere afvoeren voldoende waterdiepte te kunnen bieden voor de scheepvaart moeten deze twee maatregelen gecombineerd worden met een beperkte versmalling van het zomerbed, zodat het waterpeil bij lagere afvoeren wordt opgestuwd. In het langsdammenproject doet Rijkswaterstaat ervaring op met dit principe en de natuurorganisaties gaan voorlopig uit van dezelfde maatvoering voor het nieuwe zomerbed.

Effecten
De verwachting is dat de bodemerosie zal afnemen en de vaardiepte bij lagere afvoeren groter wordt. De rivierverruiming door kadeverlaging en aanleg van nevengeulen zorgen voor meer ruimte voor de rivier bij hoogwater. Deze extra ruimte kan (deels) gebruikt worden voor meer natuur in de uiterwaarden, zoals de ontwikkeling van ooibossen.

 

Tekst: Jos de Bijl (Bureau Stroming)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.